Criteria voor armoede

In onderzoek en beleid worden verschillende criteria gebruikt om te bepalen wie arm zijn en wie in aanmerking komen voor een vergoeding of kwijtscheldingen. De keuze voor een bepaald criterium is van invloed op het aantal arme of minimahuishoudens. Dit illustreren we met recente inkomenscijfers over de provincie Drenthe

In het kort

  • De keuze voor een bepaald criterium voor een laag inkomen, heeft grote invloed op de omvang van het aandeel huishoudens met een laag inkomen.
  • De gemeenten Assen en Emmen hebben op basis van de verschillende inkomensgrenzen, het hoogste aandeel huishoudens met een laag inkomen.
  • De gemeenten Tynaarlo en de Wolden hebben op basis van alle drie de criteria het laagste aandeel huishoudens met een laag inkomen.

Definities van armoede

Het CBS gebruikt de ‘lage-inkomensgrens’. De lage-inkomensgrens is geschikt om cijfers over meerdere jaren onderling te vergelijken. Een beperking is dat er geen rechtstreekse link ligt met wat mensen anno nu aan budget nodig hebben.

Het sociale minimum is een inkomensnorm die wordt vastgesteld door het ministerie van sociale zaken en werkgelegenheid, dit doen zij op basis van wat men minimaal nodig heeft om van te leven. Het sociale minimum is even hoog als een bijstandsuitkering, maar houdt rekening met toeslagen en kortingen. Bij huishoudens met kinderen wordt bijvoorbeeld de kinderbijslag bij het minimumbedrag opgeteld, deze is afhankelijk van het aantal kinderen en hun leeftijden.

Waargenomen inkomens wijken vaak lichtelijk af van de gestelde normen. Wanneer het normbedrag als inkomensgrens wordt aangehouden, vallen er een aantal huishoudens net boven deze grens, terwijl zij in een vergelijkbare situatie zitten als de huishoudens die wel onder de grens vallen. Daarom worden vaak inkomens van 110% of 120% van het sociale minimum gebruikt om huishoudens met lage inkomens te duiden.

Grensbedragen in 2018

  Eenpersoonshuishouden (21+) Een paar
Lage inkomensgrens € 1.060 per maand € 1.460 per maand
110% van het sociale minimum* € 1.128 per maand € 1.559 per maand
120% van het sociale minimum* € 1.230 per maand € 1700 per maand

*brutobedragen zonder toeslagen en kortingen

Omvang van de inkomensgroepen

Het aantal huishoudens dat een laag inkomen heeft, is uiteraard het grootst wanneer de norm met het hoogste grensbedrag, 120% van het sociale minimum, wordt gebruikt als grens. De doelgroep is dus het kleinst bij het gebruik van de lage inkomensgrens.

Wanneer we kijken naar de inkomens op de korte termijn, telt de provincie Drenthe in de groep met een inkomen tot 120% van het sociale minimum 12.300 huishoudens meer dan wanneer de groep wordt berekend aan de hand van de lage inkomensgrens. Dat betekent dat de keuze voor 120% van het sociale minimum in plaats van de lage inkomensgrens als criterium, de doelgroep vergroot met 82%. Het verschil tussen het aantal huishoudens met een inkomen tot 110% van het sociale minimum en het aantal huishoudens met een  inkomen onder de lage inkomensgrens is 5.800 huishoudens. Dat is een stijging van 38,7%.

Wanneer we kijken naar de huishoudens die op de lange termijn een laag inkomen hebben, zijn de verschillen tussen de groepen in verhouding groter. Het verschil tussen het aantal huishoudens met een inkomen onder de lage inkomensgrens en het aantal huishoudens met een inkomen tot 120% van het sociale minimum bestaat uit 9.600 huishoudens, de groep wordt dus meer dan verdubbeld. We spreken van een procentuele toename van 160%. Het gebruik van 110% van het sociale minimum als inkomensgrens, in plaats van de lage inkomensgrens, zorgt voor een toename van 4.700 huishoudens. Dit is een toename van 78,3%.

De verschillen tussen de omvang van de doelgroepen op basis van de verschillende criteria, zijn in de provincie Drenthe naar verhouding iets lager dan in Nederland.

Gemeenten vergeleken

Het aanhouden van verschillende criteria voor lage inkomens, heeft geen grote invloed op de volgorde van gemeenten met het hoogste en laagste aandeel huishoudens met lage inkomens. Op basis van alle drie de criteria, hebben de gemeenten Assen en Emmen het hoogste aandeel huishoudens met een laag inkomen en de gemeenten Tynaarlo en de Wolden het laagste aandeel.

Het aandeel huishoudens is op basis van alle drie inkomensgrenzen het hoogst in de gemeente Emmen, behalve wanneer we kijken naar de huishoudens met een langdurig inkomen onder de lage inkomensgrens, dan heeft Assen het hoogste aandeel huishoudens met een laag inkomen.

Trends vergeleken

Als we de trends van de huishoudens met lage inkomens voor de drie inkomensgrenzen vergelijken, zien we dat de lage inkomensgrens meer fluctuatie over tijd laat zien. De grote stijging die we tussen 2011 en 2013 zien op basis van de lage inkomensgrens, zien we niet voor de andere 2 criteria. Dit zou kunnen komen doordat de huishoudens die in deze periode onder de lage inkomensgrens terecht zijn gekomen, in de voorgaande jaren al onder de grens van 110% en 120% van het sociale minimum zaten en in deze groep dus niet voor een stijging hebben gezorgd.