Kinderen in armoede

Kinderen en jongeren die opgroeien in armoede worden op veel levensgebieden belemmerd. Dingen die voor andere kinderen vaak normaal zijn, kunnen voor kinderen in armoede onmogelijk of moeilijk zijn. Kinderen die opgroeien in een huishouden waar met een laag inkomen ervaren daarnaast vaker spanningen in het gezin. Opgroeien in armoede kan ten koste gaan van kansen in onderwijs en werk op latere leeftijd.

In het kort

  • Het aandeel minderjarige kinderen dat opgroeit in armoede ligt in de provincie Drenthe lager dan het landelijke gemiddelde.
  • In 2018 leefden ruim 6.700 kinderen in armoede in de provincie Drenthe, waarvan 2.400 langdurig.
  • De gemeenten Emmen en Coevorden tellen in Drenthe een bovengemiddeld aandeel kinderen in armoede.
  • Tussen 2011 en 2018 is in Coevorden de grootste toename te zien van het percentage kinderen in armoede. In Assen, Borger-Odoorn, Westerveld, Midden-Drenthe was in deze periode een afname te zien.

In Drenthe groeien minder kinderen op in armoede dan gemiddeld in Nederland

Naar verhouding groeien in de provincie Drenthe minder kinderen op in armoede dan in Nederland in het geheel. In Nederland leefde in 2018 8.1% van de kinderen (jonger dan 18 jaar), in een gezin dat moest rondkomen van een laag inkomen; 3.3% deed dat langdurig. In Drenthe was dat 7,3% van alle kinderen en 2,7% langdurig. Het gaat dan in Drenthe totaal om ruim 6.700 kinderen in een huishouden met een laag inkomen en 2.400 kinderen in een huishouden met een langdurig laag inkomen.

De gemeenten Emmen en Coevorden telden in 2018 naar verhouding de meeste kinderen in een huishouden met een laag inkomen, in beide gemeenten was dit meer dan 9%. Ook de gemeenten Assen en Hoogeveen hebben een hoger aandeel kinderen in een huishouden met een laag inkomen dan het provinciale gemiddelde. Dit zijn ook de vier gemeenten waarin naar verhouding de meeste kinderen in huishoudens met een langdurig laag inkomen wonen. Tynaarlo was in 2018 de gemeente met de minste kinderen in huishoudens met een laag inkomen, namelijk 4,7% van alle minderjarigen.

Trend

Tussen 2011 en 2018 zien we in Nederland dat het aandeel minderjarige kinderen in armoede stijgt tot 2013. Daarna vlakt het aandeel weer af tot bijna het niveau van 2011, namelijk 8,1% in 2018. In de provincie Drenthe zien we een gelijkvormige trend. Ook in de meeste Drentse gemeenten volgt de ontwikkeling door de jaren deze van de provinciale en landelijke trend.

In vergelijking met 2011 is het percentage kinderen in armoede het meest toegenomen in de gemeente Coevorden (1,2 procentpunten). In Assen, Borger-Odoorn, Westerveld en Midden-Drenthe was het aandeel kinderen in armoede in 2018 kleiner dan in 2011.

 Vergelijking inkomensgrenzen

Als we deze trends op basis van de inkomensgrenzen tot 110% en 120% van het sociale minimum bekijken, zien we dat de ontwikkeling van het aandeel kinderen in deze huishoudens stabieler is over tijd dan wanneer we kijken naar de lage inkomensgrens. De gemeentes met relatief de meeste en minste kinderen in huishoudens met een laag inkomen, zijn voor alle drie de inkomensgrenzen ongeveer dezelfde. Dit beeld zien we ook als we kijken naar kinderen uit huishoudens die gedurende een langere periode van een inkomen onder de lage inkomensgrenzen leven.

Risicogroepen

Kinderen met een migratie-achtergrond uit niet-westerse landen lopen verreweg het grootste risico op opgroeien in een gezin met een laag inkomen. In Drenthe woont in 2018 42,3% van de kinderen uit huishoudens met een niet-westerse hoofdkostwinner in een huishouden met een laag inkomen. Onder de niet-westerse huishoudens heeft het lage inkomen bovendien veel vaker een langdurig karakter, dat wil zeggen minimaal vier jaar achtereen. Dat het armoederisico hoger is, komt onder meer doordat niet-westerse huishoudens betrekkelijk vaak (langdurig) moeten rondkomen van een uitkering (CBS 2016).

Daarnaast lopen kinderen in eenoudergezinnen meer risico om in armoede terecht te komen dan kinderen in een huishouden met twee ouders. In de provincie Drenthe leeft in 2018 4,8% van de kinderen in een tweeoudergezin in een huishouden met een laag inkomen, bij de kinderen in een eenoudergezin is dit 22,5%. In Nederland zijn dit respectievelijk 5,5% en 23,2%. Eenoudergezinnen lopen ook meer risico om langdurig van een laag inkomen te moeten leven.