Kenmerken van huishoudens met een (langdurig) laag inkomen

Leven in armoede kan iedereen overkomen. Toch zijn er groepen huishoudens die een hoger risico op armoede hebben, omdat ze vaker onder de lage inkomensgrens leven. Inzicht in de kenmerken van deze huishoudens, kan bijdragen aan het inrichten van armoedebeleid. Het CBS maakt een uitsplitsing naar de samenstelling van het huishouden, de leeftijd en herkomst van de hoofdkostwinner en het type inkomen.

In het kort

  • In de provincie Drenthe hebben eenoudergezinnen en alleenstaanden relatief vaker een inkomen onder de lage inkomensgrens dan meerpersoonshuishoudens.
  • Huishoudens met een jonge hoofdkostwinner leven vaker kortdurend met een laag inkomen. Na de pensioengerechtigde leeftijd neemt het aandeel huishoudens dat leeft onder de armoedegrens sterk af.
  • Huishoudens met een hoofdkostwinner van niet-westerse achtergrond hebben een groter risico om in armoede terecht te komen.
  • Huishoudens met een overdrachtsinkomen leven relatief het vaakst in armoede.

Alleenstaanden en eenoudergezinnen hebben een hoger risico op armoede

Alleenstaanden en eenoudergezinnen met minderjarige kinderen hebben het hoogste risico op armoede (SCP 2018). Zo heeft in de provincie Drenthe 14% van de eenpersoonshuishoudens een laag inkomen en 6,7% heeft dat langdurig. In Nederland als geheel zijn deze percentages ongeveer gelijk, respectievelijk 14,1% en 6,9%. Bij een vergelijking tussen de Drentse gemeenten valt het hoge aandeel eenpersoonshuishoudens met een hoog risico op armoede op in Assen (16,2%) en Emmen (16,9%). In beide gemeenten is ook het aandeel van de eenpersoonshuishoudens dat langdurig van een laag inkomen moet leven relatief hoog (respectievelijk 8,3% en 8,4%).

Eenzelfde beeld zien we voor de eenoudergezinnen. In Drenthe leeft 14,3% van de eenoudergezinnen in armoede en 4,4% doet dat langdurig; in Nederland als geheel is dat 14,7% en 4,9% langdurig. Bij een vergelijking tussen de Drentse gemeenten valt het hoge aandeel eenoudergezinnen in armoede op in Emmen en Coevorden. In Emmen heeft 17,1% van de eenoudergezinnen een laag inkomen (5,4% langdurig) en in Coevorden is dat 16,7% (5% langdurig).

Gepensioneerden minst getroffen door armoede

In Drenthe leefde in 2018 23% van de jonge huishoudens (<25 jaar) onder de lage inkomensgrens en 2,6% deed dat langdurig. Deze kortdurende armoede wordt veelal veroorzaakt door de overgang van de studie naar werk (CBS 2016). Zodra de hoofdkostwinner ouder wordt, neemt het risico op kortdurende armoede af. Wel neemt het aandeel huishoudens dat langdurig moet rondkomen van een laag inkomen toe met een kostwinner tussen de 25 en 65 jaar, doordat een deel afhankelijk raakt van een uitkering (CBS 2016). Dit patroon is zowel te zien in de provincie Drenthe, als in Nederland in het geheel.

Na de pensioengerechtigde leeftijd neemt het aandeel arme huishoudens sterk af. Zo heeft in Drenthe minder dan 2% van de 65-plussers  een inkomen onder de lage-inkomensgrens. Het CBS (2018) geeft aan dat dit komt doordat met de pensionering de inkomenssituatie voor velen verbetert doordat het (volledige) AOW-pensioen boven de lage-inkomensgrens uitkomt. Bovendien hebben de meeste ouderen naast hun AOW nog aanvullend pensioen en inkomsten uit vermogen. De 65-plussers lopen van alle leeftijdsgroepen dan ook het minst risico op (langdurige) armoede.

Gezinnen van niet-westerse afkomst hebben vaker lagere inkomens

Gezinnen met een hoofdkostwinner van niet-westerse herkomst, hebben naar verhouding vaker een laag inkomen en leven daardoor vaker onder de armoedegrens (SCP 2018). In 2018 heeft in Drenthe meer dan een derde (37%) van alle niet-westerse gezinnen een laag inkomen, 17% heeft dat langdurig. In Nederland als geheel zien we lagere percentages: van alle niet-westerse huishoudens heeft iets minder dan een kwart (24,6%) een laag inkomen en 12,3% een langdurig laag inkomen.

Per gemeente zien we flinke verschillen en daarbij vallen Borger-Odoorn, de Wolden en Noordenveld op. Deze gemeenten hebben in 2018 een relatief hoog aandeel niet-westerse huishoudens met een laag inkomen. Het aandeel van de niet-westerse huishoudens dat tenminste 1 jaar onder de lage inkomensgrens leeft is hier bijna de helft.

Het is echter goed om te benoemen dat, ondanks dat meer dan een derde van de niet-westerse huishoudens in Drenthe in armoede leeft, deze huishoudens 15,4% van alle huishoudens met een laag inkomen omvatten. Driekwart van de arme huishoudens (75,8%) heeft een Nederlandse achtergrond. Het gaat dan om 2.300 niet-westerse huishoudens en 11.300 huishoudens met een hoofdkostwinner van Nederlandse achtergrond.

Het type inkomen heeft tevens invloed op de kans op armoede

Het CBS onderscheidt drie verschillende typen inkomens:

  • inkomen als werknemer in loondienst
  • uit een eigen onderneming
  • of uit overdrachtsinkomen.

De laatste groep wordt gevormd uit huishoudens waarvoor een uitkering of pensioen de voornaamste inkomensbron is. De huishoudens met een overdrachtsinkomen leven in vergelijking met de andere twee inkomensgroepen het vaakst in armoede. In 2018 heeft in Drenthe 13,1% van deze huishoudens een laag inkomen, 6% heeft dat langdurig. Ter vergelijking, 1,8% van de huishouden met een inkomen als werknemer en 7,3% van de huishoudens met een eigen onderneming leven onder de lage-inkomensgrens.

Per gemeente zien we ook verschillen in de verdeling naar inkomen. Vooral Assen springt eruit; 17,3% van de huishoudens met een overdrachtsinkomen leven onder de lage inkomensgrens, 8,8% doet dat langdurig.