Drentse gemeenten experimenteren: monitor sociaal domein is nooit af

21 september 2017

Bron: Mudde, L. (2017, 30 juni), VNG Magazine 11. Drentse gemeenten experimenteren: monitor sociaal domein is nooit af.

De Gemeentelijke Monitor Sociaal Domein is nooit af. De data en indicatoren die gemeenten aanleveren, blijven toenemen. Het vergelijken van de prestaties en het leren van elkaar wordt hierdoor steeds beter mogelijk.

Gemeentelijk kwaliteitsinstituut KING, het Verwey-Jonker Instituut, het Gronings/Drentse kenniscentrum voor sociaal-maatschappelijke vraagstukken CMO STAMM en vier Drentse gemeenten – Emmen, Hoogeveen, De Wolden en Coevorden – werken samen aan een experiment dat een voorbeeld kan zijn voor alle gemeenten. Zij brengen in kaart hoe landelijke gegevens kunnen bijdragen aan een betere lokale uitvoering van beleid ten aanzien van kwetsbare ouderen in Drenthe.
Het begon een jaar geleden, met een presentatie van de VNG over de landelijke kennisinfrastructuur van het sociaal domein. De Drentse gemeenten reageerden daarop met een inventarisatie van de kennis waar zij behoefte aan hadden. De VNG pakte de handschoen op en startte, samen met de genoemde partijen, het traject dat ertoe moet leiden dat landelijk beschikbare data kunnen worden vertaald naar zinvolle, lokale informatie.

Het experiment past in de Gemeentelijke Monitor Sociaal Domein (GMSD), onderdeel van de gemeentelijke vergelijkingssite Waarstaatjegemeente.nl, dat 5 juli de nieuwste cijfers presenteert. Het is een instrument dat VNG/KING, VWS en CBS sinds 2014 ontwikkelen om de transformatie in het sociaal domein te kunnen ondersteunen.

KING-projectleider Janneke Vosse: ‘Maar de monitor is vooral ook een instrument dat samen met gemeenten wordt ontwikkeld. Er zijn nu driehonderd gemeenten die meedoen, zij leveren informatie aan en gebruiken die weer in de gemeenteraad en ter ondersteuning van beleid en uitvoering, bijvoorbeeld in de wijkteams, vaak aangevuld met andere informatie, verhalen en onderzoeken.’

Dashboard als praatplaat

Zoals Borger-Odoorn. Dat brengt alle beschikbare informatie samen in een dashboard waarmee ze trends kan ontdekken en kan bepalen of bepaald beleid heeft gewerkt. Het dashboard wordt ook gebruikt als ‘praatplaat’ voor het overleg met de gemeenteraad over het sociaal domein, dat twee keer per jaar plaatsvindt. Op die bijeenkomsten worden niet alleen cijfers gepresenteerd, maar vertellen cliënten en zorgverleners hun eigen verhalen en ervaringen om, zoals de gemeente dat stelt, ‘de werkelijkheid achter de cijfers zichtbaar te maken’.

De huidige monitor geeft gemeenten, Rijk en kennisinstellingen inzicht in trends in het gebruik van de voorzieningen in het sociaal domein en cliëntervaringen. De monitor die volgende week verschijnt, zal weer meer indicatoren bevatten dan de huidige versie. Over ouderen die niet in een zorginstelling verblijven bijvoorbeeld, of over gezondheidsonderwerpen als eenzaamheid, mobiliteit, mantelzorg.

De monitor is niet af, hij moet worden dóórontwikkeld. ‘Het gaat niet om het instrument als zodanig, maar vooral over de wijze waarop we informatie verzamelen, delen en duiden om het transformatieproces te ondersteunen’, zegt Vosse. ‘Nu is nog te weinig bekend over algemene voorzieningen, de maatschappelijke effecten, hoe je een effectief gesprek voert. Er is nog veel te leren. Dit kan door te meten, maar ook door te vertellen en te laten zien.’

De uitdaging is om vanuit de vele lokale en regionale verhalen een betekenisvol landelijk beeld op te bouwen. Vosse: ‘Een beeld dat de dialoog tussen gemeenten onderling en tussen gemeenten, Rijk, aanbieders en inwoners ondersteunt.’

Alphen doet het anders

Een gemeente die níét past in het huidige stramien van de GMSD, is Alphen aan den Rijn. Want waar de monitor uitgaat van ‘producten’ en gemeenten hun input ook op productniveau aanleveren, is Alphen een andere weg ingeslagen.

‘Wij hebben het anders ingericht’, zegt projectleider sociaal domein Marjolein Buis. ‘Alphen denkt niet meer in producten en rekent dus ook niet op die manier af. Wij hebben in 2014, dus vóór de decentralisaties, alles op het gebied van sociale participatie bij elkaar geveegd en in de markt gezet. We zeiden: wie kan dit doen voor 7 miljoen euro, het bedrag dat Alphen hiervoor beschikbaar heeft? Geen enkele aanbieder kan dat, waardoor ze werden gedwongen samen te werken.’

In de gemeente zijn nu vier hoofdaannemers en vier onderaannemers actief. De gemeente en het consortium sturen op de zelfredzaamheidsmatrix en de participatieladder: die scores moeten omhoog. Andere criteria: de terugval in de zorg moet worden teruggedrongen, de zorg moet wijkgericht zijn en er moet worden gekeken naar de klanttevredenheid. Hoe ze dat doen, mag het consortium zelf bepalen, als de effecten maar worden bereikt: de bewoners moeten maximaal deelnemen aan de samenleving en optimaal zelfredzaam zijn, met behulp van hun netwerk.

Het aanbod moest ook laagdrempelig worden aangeboden. Met dat doel is Tom in de buurt opgericht, de vlag waaronder het consortium opereert. Tom staat voor Talent, Ondersteuning en Meedoen. Daar kan iedereen terecht, van mensen met een beperking tot ouderen die iemand zoeken die voor hen kan koken of boodschappen doen.

Financieel belang

Het grote voordeel van de Alphense methode is, volgens Buis, dat er voor de aanbieders geen prikkel meer is om ‘meer productie’ te draaien door (te) veel professionele, specialistische ondersteuning te bieden. Nu wordt veel meer gekeken hoe bewoners elkaar kunnen bijstaan. ‘Van iedereen wordt niet alleen gevraagd wat hij nodig heeft, maar ook wat hij kan bijdragen. Precies zoals de Wet maatschappelijke ondersteuning van meet af aan heeft beoogd.’

En, niet onbelangrijk, het consortium heeft een financieel belang om succesvol te zijn. Preventie en het minder inschakelen van dure, gespecialiseerde zorg moeten lonen. Als Tom in de buurt het werk voor minder dan 7 miljoen euro kan doen, mag het consortium dat zelf investeren in zijn bedrijfsvoering. De randvoorwaarden die de gemeente heeft gesteld, zijn volgens Buis voldoende garantie dat de kwaliteit van het aanbod hier niet onder lijdt. De resultaten zijn goed. Klachten komen er nauwelijks, de klanttevredenheid is hoog. Vorige week besprak de commissie van de gemeenteraad een tussenevaluatie en die reageerde positief.

De kritiek dat de gemeente nu wel erg veel overlaat aan de markt en een stap terugdoet, klopt niet, volgens Buis. ‘Laat duidelijk zijn: de gemeente blijft altijd eindverantwoordelijk. Ik durf te stellen dat we juist méér betrokken zijn, de gesprekken met het consortium zijn meer inhoudelijk geworden. Alleen, de professionals krijgen veel meer ruimte, die hoeven niet langer uren en trajecten te registreren en mogen het aanbod flexibel inrichten op de behoeften van de inwoners. De overhead blijft hierdoor klein.’

Dat Alphen niet past in de systematiek van de monitor, vindt Buis jammer. Maar dat betekent niet dat haar gemeente zich afzijdig houdt. ‘Wij willen ook leren van andere gemeenten, zoals zij van ons kunnen leren. Daarom praten wij ook actief mee over de dóórontwikkeling van de monitor.’