Inkomensgrenzen
In onderzoek en beleid worden verschillende criteria gebruikt om te bepalen wie in aanmerking komen voor toeslagen of kwijtscheldingen. De keuze voor een bepaald criterium is van invloed op het aantal minimahuishoudens. Dit illustreren we aan de hand van de meest recente inkomenscijfers (uit 2024) over de provincie Drenthe.
Inwoners rond het sociaal minimum
De meeste gemeenten gebruiken voor de toekenning van hun regelingen 120% van het sociaal minimum. In de provincie Drenthe leeft 7,6% van de inwoners van een inkomen tot 120% van het sociaal minimum. Dit gaat in totaal om bijna 37.000 inwoners. In Nederland ligt dit aandeel hoger (8,5%). Het aandeel inwoners met een inkomen tot 120% van het sociaal minimum is het hoogst in de gemeente Emmen (9,6%, oftewel zo’n 10.100 inwoners) en het laagst in de gemeente Tynaarlo (5,0%, oftewel zo’n 1.700 inwoners).
Een andere veelgebruikte grens voor de toekenning van minimaregelingen is 130% van het sociaal minimum. In de provincie Drenthe leeft 9,5% van de inwoners van een inkomen onder 130% van het sociaal minimum. Dit gaat in totaal om bijna 46.000 inwoners. In Nederland ligt dit percentage hoger (10,3%). Het aandeel inwoners met een inkomen tot 130% van het sociaal minimum is ook het hoogst in de gemeente Emmen (12,0%, oftewel zo’n 12.600 inwoners) en het laagst (6,3%) in de gemeenten De Wolden (zo’n 2.100 inwoners) en Westerveld (zo’n 1.500 inwoners).
Een verhoging van de inkomensgrens van 120% naar 130% van het sociaal minimum zorgt voor een stijging van 25% in de omvang van de doelgroep. Dit staat gelijk aan een toename van ongeveer 9.000 mensen in de provincie Drenthe.
Het aandeel huishoudens onder en rond het sociaal minimum is redelijk stabiel. Dit komt doordat het sociaal minimum regelmatig aangepast wordt op basis van economische ontwikkelingen in de maatschappij. Het sociaal minimum is dan ook niet geschikt om armoedeproblematiek over de tijd te volgen. Een verhoging van het sociaal minimum zorgt per definitie voor een toename van het aantal huishoudens onder deze inkomensgrens. Hierdoor lijkt de armoedeproblematiek toe te nemen, terwijl de inkomens van huishoudens niet lager zijn geworden. Lees hierover meer op de pagina Toelichting inkomensgrenzen.
Inwoners rond de armoedegrens
In de provincie Drenthe leeft in 2024 2,3% van de inwoners onder de nieuwe armoedegrens. Als we echter kijken naar het aandeel inwoners waarvoor geldt dat het inkomen lager is dan 110% van de nieuwe armoedegrens zien we dat dit aandeel een stuk groter wordt, namelijk 4,4%. Ook zien we dat in de hele provincie zo’n 5.000 inwoners leven van een inkomen van 80% van de nieuwe armoedegrens. Zij komen dus maandelijks flink geld tekort.
Naast de inwoners die in armoede leven definieert het CBS ook een groep ‘bijna-armen’. Deze inwoners hebben een vermogensbuffer onder de nieuwe armoedegrens en een inkomen dat lager is dan 125% van de nieuwe armoedegrens. In tien van de twaalf Drentse gemeenten is het aandeel ‘bijna-armen’ lager dan of gelijk aan het landelijk gemiddelde. Alleen in de gemeenten Emmen (7,6%) en Assen (6,9ligt dit wat hoger.
Voor heel Nederland geldt dat in totaal 9,6% van alle inwoners arm of ‘bijna-arm’ is. Dit percentage ligt wat lager in de provincie Drenthe, namelijk op 8,1% (= 2,3% onder de nieuwe armoedegrens + 5,8% ‘bijna-arm’).
Moeite met rondkomen
Wanneer we kijken naar de ervaren armoede, zien we dat het aandeel inwoners dat moeite heeft om rond te komen hoger ligt dan het aandeel huishoudens met een inkomen onder de nieuwe armoedegrens. In 2024 gaf 11,5% van de Drentse huishoudens aan moeite te hebben met rondkomen. Ter vergelijking: 2,3% van de Drentse huishoudens leeft in 2024 onder de nieuwe armoedegrens. Het aandeel huishoudens dat moeite heeft om rond te komen is het hoogst in de gemeente Emmen (14,9%) en het laagst in de gemeenten Borger-Odoorn (7,1%) en Aa en Hunze (7,4%). In heel Nederland geeft 13,3% van de huishoudens aan moeite te hebben met rondkomen.
Het aandeel huishoudens dat moeite heeft met rondkomen is afgenomen ten opzichte van 2022. In 2022 gaf 15,6% van de Drentse huishoudens nog aan moeite te hebben met rondkomen; landelijk gold dit voor 18,8% van alle huishoudens.
Deze cijfers zijn gebaseerd op de Gezondheidsmonitor van de GGD’en, het CBS en het RIVM. Hierin werden inwoners gevraagd of zij in de afgelopen 12 maanden enige of grote moeite hebben gehad met rondkomen.